UNESCO Global Geopark
De Hondsrug
De Hondsrug strekt zich uit van de stad Groningen tot het Bargerveen bij Emmen en vormt een scherpe grens tussen het Drents Plateau met het beekdal van de Drentsche Aa en het stroomdal van de Hunze.
Duizenden eeuwen terug in de tijd
De ruggen en dalen zijn in de opeenvolgende ijstijden gevormd. Schuivend landijs en snel stromend smeltwater boetseerden de Hondsrug. De dikke ijskap voerde grote zwerfkeien aan vanuit Scandinavië. IJskoude poolwinden veranderden het gebied in een kille woestijn, maar tijdens de interglacialen, periodes tussen de ijstijden, warmde het klimaat op. Soms was het zelfs nog warmer dan tegenwoordig. Het landijs vormde in Drenthe vier rechte lijnen in het landschap: de Hondsrug en enkele ruggen ten westen ervan. Het landschap van de Hondsrug komt op het conto van drie ijstijden :
- Elster-ijstijd (475.000-410.000 jaar geleden)
- Saale-ijstijd (370.000-130.000 jaar geleden)
- Weichsel-ijstijd (110.000-12.000 jaar geleden)
De prehistorie voelt dichtbij
Regelmatig smolt het ijs, aan het eind van de Saale-ijstijd, zo’n 150 duizend jaar geleden, kwam binnen het smeltende ijs een ijsrivier in beweging. Deze ijsrivier zorgde voor het patroon van evenwijdige ruggen en laagten in Drenthe. De Hondsrug is de meest oostelijke rug. O ngeveer 12.000 jaar geleden eindigde de laatste ijstijd.
Planten en bomen ontwikkelden zich tot uitgestrekte wouden. In de beekdalen groeide onder invloed van de stijging van het grondwaterpeil vervolgens het veen. Na de ijstijden vestigde de prehistorische mens zich op de Hondsrug. Neanderthalers, Trechterbeker- en Klokbekercultuur en hunebedbouwers lieten hun sporen na. Ongeveer 5000 jaar geleden legden boeren kleine omwalde akkers (raatakkers ofwel Celtic Fields) aan en veranderden opnieuw het Drentse landschap. Die gelaagdheid aan opeenvolgende invloeden is nog altijd goed leesbaar.
UNESCO GLOBAL GEOPARK
Geoparken zijn gebieden waar geologisch erfgoed en landschappen van internationale waarde in samenhang worden beheerd. Daarbij staan behoud, educatie en duurzame
ontwikkeling centraal. De geologische geschiedenis, de cultuurhistorie, de hedendaagse cultuur en de natuur bepalen samen de identiteit van het gebied. De Hondsrug is als eerste gebied in Nederland aan het eind van de vorige eeuw toegetreden tot het illustere gezelschap van de Global Geoparken.
Archeologisch rijksmonument
De Hondsrug is archeologisch zeer waardevol. Het ontstaan, en de prehistorische bewoning. Overal worden archeologische vondsten gedaan. Op de Hondsrug liggen tientallen hunebedden en honderden grafheuvels.
De Strubben-Kniphorstbosch, Archeologisch reservaat
Tussen Schipborg, Anloo en Annen liggen de Strubben-Kniphorstbosch, een archeologisch rijksmonument en het enige archeologisch reservaat van Nederland. Het is moeilijk voor te stellen dat dit archeologisch monument een militair oefenterrein is geweest. Het reservaat telt twee hunebedden, zestig grafheuvels en een galgenberg.
De bodem bevat ontelbare sporen die verband houden met een prehistorische nederzetting. De bijnaam ‘Pompeï van Drenthe’ doet het Strubben-Kniphorstbosch eer aan omdat het gebied bezaaid is met archeologische monumenten. Er zijn eveneens karrensporen gevonden uit de middeleeuwen. De eerste naam ‘Strubben’ is ontleend aan de karakteristieke – eeuwenoude – grillig en kringvormig gegroeide eiken. Dit gebied lag op de grens tussen de heidevelden en de essen. Onderweg naar de heide knabbelden de schapen de jonge uitlopers van de eiken kaal.
Daardoor kregen de eiken geen kans uit te groeien tot bomen. Het bleven ‘stobben’ – ‘strubben’ – in het Drents. Pas nadat de schapen niet meer naar de heide gingen konden de bomen uitgroeien en vormden zich grillige bomen met soms meer dan zeven stammen. De hoofdstam is vaak door stuifzand bedekt.
De tweede naam ‘Kniphorstbosch’ is verbonden met de welgestelde familie Kniphorst die omstreeks het midden van de negentiende eeuw het zuidelijke deel van de Strubben verwierf en de woeste gronden met dennen beplantte. De oudste grove dennen dateren uit 1864. Belangrijkste soorten uit de ondergroei zijn de zevenster, smalle beukvaren, dubbelloof, eikvaren en wijfjesvaren.
Sporen in het landschap
Bij elke stap die jezet past een voetafdruk van onze voorouders. Glooiende hoogtes en laagtes, gletsjerdalen, doorbraakdalen en kolosale stenen zijn de zichtbare, achtergebleven relicten van vijftig eeuwen geleden.
Kolossale stenen
Wandelend op de Hondsrug, tussen Zuidlaren en Emmen duiken er voortdurend hunebedden op. Het grootste hunebed van Nederland is te vinden in Borger. Het is al eeuwenlang een toeristische trekpleister. Talloze bordjes verwijzen naar de ‘opmerkenswaardige steenen’ en geen enkele bezoeker van het Hunebedcentrum in Borger (www.hunebedcentrum.eu) kan eraan voorbij lopen. Men neemt aan dat de kolossale stenen, die enkele tonnen wegen, over boomstammen naar de bouwplaats zijn gerold. De hunebedbouwers wierpen rond de stenen vervolgens een heuvel op.
Vervolgens rolden ze de zogenoemde dekstenen over boomstammen omhoog. Een hunebed is over een langere periode als begraafplaats gebruikt. Het werd telkens weer geopend voor nieuwe bijzettingen. In verschillende hunebedden zijn resten van honderden aardewerken bekers gevonden die als grafgift (bijgaven) met de doden mee op reis
gingen. Door hun primitieve landbouwmethode, waarbij de akkers snel uitgeput raakten, waren de boeren gedwongen hun nederzetting en hun begraafplaats van tijd tot tijd te
verplaatsen. De verhuizingen volgden de hoge zandruggen op het Drents Plateau. Dit verklaart waarom de hunebedden in veel gevallen in een lintvormig patroon liggen.
Kwetsbare grafmonumenten
Zo onverwoestbaar als de robuuste grafmonumenten van 3000 jaar voor Christus lijken, zo kwetsbaar blijken ze te zijn. In vorige eeuwen zijn veel hunebedden gesloopt ten behoeve van onder meer de bouw van kerken en de aanleg van wegen. In de achttiende eeuw was vooral de paalworm de grote vijand. Die tastte in Holland en Zeeland de houten palen van de zeedijken aan, wat leidde tot een grote behoefte aan stenen. In Drenthe lagen ze voor het oprapen. Nou ja, oprapen: de keien van de hunebedden liet men met buskruit springen. Vele zijn op deze wijze gesloopt of gedegradeerd tot in feite niet meer dan een slap aftreksel van het oorspronkelijke hunebed. Ook vandaag de dag hebben hunebedden te lijden van voortdurend vandalisme en beklimming, wat leidt tot slijtage en verzakking.
Vader van de hunebedden,
Professor Albert Egges van Giffen (1884-1973) is de grondlegger van de moderne archeologie in Nederland. Van Giffen bracht alle nog bestaande hunebedden in Drenthe in kaart en verrichtte bij meerdere daarvan bodemonderzoek. In 1925-1927 publiceerde hij hierover een boek – De hunebedden van Nederland – dat nog steeds als standaardwerk wordt beschouwd. Gedurende zestig jaar heeft hij honderden opgravingen gedaan. Zonder zijn inspanningen zou waarschijnlijk een groot deel van de nu aanwezige hunebedden niet meer hebben bestaan. Naast onderzoek heeft hij veel ingestorte en deels vernielde hunebedden gerestaureerd.
Karrensporen op de Hondsrug
Brede bundels karrensporen zijn ontstaan in een tijd waarin het gebied één groot heideveld was. In de middeleeuwen trokken handelaren heen en weer tussen de stad Groningen en Coevorden en andere boerendorpen onderweg. De menners bepaalden hun koers door zich te oriënteren op de kerktorens van Zuidlaren, Anloo en Gieten. Als de sporen niet meer begaanbaar waren werden ze verlegd.
De karrensporen vormden min of meer de prehistorische ‘N34’, zij het dat de oude handelsroutes niet de huidige N34 volgden maar veelmeer de huidige moderne binnenwegen die de dorpen op de Hondsrug met elkaar verbinden, parallel aan de N34. Deze eerste bestrate Hondsrugroute kwam rond 1855 tot stand.