
Veenhuizen
Kolonie van Weldadigheid
Johannes van den Bosch heeft in 1822, met de oprichting van de strafkolonie bij Veenhuizen onbedoeld bijgedragen aan het behoud van het Fochteloërveen.
Het natte en desolate, vrijwel boomloze terrein, nodigde niet uit tot uitbraakpogingen.
De latere gevangenis vond het ook wel prima dat het veen onaangeroerd bleef liggen. De duizenden ‘verpleegden ’ en later de veroordeelden die in dit weidse niemandsland terecht kwamen konden niet anders dan zich neerleggen bij de situatie en zich in hun lot schikken. Johannes van den Bosch diende in de Franse tijd in Nederlands-Indië, het tegenwoordige Indonesië. Daar hield hij zich bezig met landontginning. Deze ervaring voedde zijn ideeën over de maakbaarheid van mens en land. Na de bevrijding van de Fransen heerste er grote armoede. Van den Bosch was getroffen door het uitzichtloze bestaan van de paupers. In de grote steden werd het meeste gebrek geleden. Johannes van den Bosch was vertrouwensman van koning Willem I, speciaal met het oog op het voeden en opvoeden van de volksmassa’s. Hij kwam met het ‘ei van Columbus’: zijn ervaringen in Nederlands-Indië wilde hij in het dunbevolkte Drenthe in de praktijk gaan brengen. De kern van zijn oplossing bestond uit het tewerkstellen van onbenutte arbeidskrachten op onbenutte grond, het bieden van huisvesting, scholing en zorg binnen nieuw op te richten ‘landbouw-kolonien’ in Drenthe.
Maatschappij van Weldadigheid
Na de nederlaag van Napoleon werd in 1813 koning Willem I ingehuldigd als soeverein vorst der Verenigde Nederlanden. De armoede was groot en Willem I stemde in 1818 in met de oprichting van Maatschappij van Weldadigheid. Van den Bosch, naast vertrouweling van de Koning, Minister van Staat, lid van de Tweede Kamer en gouverneur-generaal, stond in hoog aanzien en kreeg carte blanche van de koning. Samen met prins Frederik stichtte de sociaal bewogen ‘Van den Bosch de Maatschappij van Weldadigheid’. De Maatschappij vestigde zeven koloniën in Nederland en België, de eerste zogenoemde ‘vrije koloniën’ – tewerkstelling gebeurde op basis van vrijwilligheid – werden in Zuidwest Drenthe en de kop van Overijssel opgericht; het waren Frederiksoord, Wilhelminaoord en Willemsoord.
Van den Bosch had een idealistische visie en geloofde dat “arbeid, onderwijs en onderhoud” de armen zou verheffen ‘tot hogere beschaving, verlichting en weldadigheid’. Hij was ervan overtuigd dat iedereen zelf verantwoordelijk is voor zijn of haar geluk en dus ook voor het algemene volksgeluk. Zijn koloniën zijn kortom een experiment met de maakbaarheid van de mens en de samenleving. Vanuit binnen- en buitenland was er aandacht voor zijn ‘heropvoedings-methodiek’.
‘Er is slechts één middel om de kolonisten in toom te houden‘, schreef Van den Bosch, ‘te zorgen namentlijk, dat zij het zeer goed hebben, maar tevens dat zij strikt doen wat hun wordt voorgeschreven.’ De kolonisten-gezinnen kregen een stenen huis met een aparte stal voor wat vee en een stukje grond van tweeënhalve hectare. De start was veelbelovend, maar al gauw rezen er problemen en bleken zijn ideeën in de praktijk niet te werken. Het leven in de koloniën was hard en het sterftecijfer hoog. Het bleek onmogelijk voor de ‘paupers’ om te
klimmen op de maatschappelijke ladder. De keerzijde van Maatschappij bestond er in dat de gemeenten vooral hun lastigste armen stuurden. Al in 1820 moes ten er twee gezinnen wegens ‘verregaande zedeloosheid en luiheid’ uit de kolonie worden gezet.

IJzeren discipline
De toestroom van lastige en onwillige kolonisten vormden een groot probleem. Het leidde ertoe dat de Maatschappij in 1820 toestemming kreeg een strafkolonie in te richten voor de grootste zondaars. Rond de buurtschap Veenhuizen kocht de Maatschappij 3000 hectare grond aan om ‘gestichten’ te vestigen. In eerste instantie bedoeld voor vondelingen, verlaten kinderen en wezen. Later kwamen ook grote groepen landlopers en dronkaards in aanmerking. De gestichten waren vierkante kazerne-achtige gebouwen die er nu nog staan, omgeven door een gracht. Van de buitenwereld afgesloten met een ophaalbrug en een toegangspoort. Orde en Tucht is een van de vele gevelteksten op de gebouwen, die heel stichtelijk weergeven waar het in strafkolonie Veenhuizen om ging. ‘Verpleegden’ en ‘verplegers’ woonden en werkten in Veenhuizen. De kolonie was nagenoeg zelfvoorzienend. De bewoners van de gestichten staken hun eigen turf. De energiecentrale wekte later eigen elektriciteit op. Op boerderijen verbouwden de gestraften groenten en graan, maalden hun meel en sponnen katoen. Er waren werkplaatsen en zalen voor onderwijs.
Veenhuizen was een wereld op zich met een strenge hiërarchie en ijzeren discipline. De verpleegden werkten onder bewaking en op overtreding van de reglementen stonden strenge straffen. Er was ook kritiek en dit nam gaandeweg steeds meer toe. Gezinnen en families werden van elkaar gescheiden om de kinderen een zedelijke opvoeding te geven. Er was ook kritiek op het feit dat mensen er, volgens volstrekte willekeur, onterecht werden opgesloten als ze beschuldigd waren van bedelarij.

Rijkswerkinrichtingen
De Rijkswerkinrichting Veenhuizen ontstond in 1859 nadat de bedelaarsgestichten in Veenhuizen waren overgenomen door de rijksoverheid. Voor het personeel verrees er een klein dorp, om de inrichtingen heen. De huizen en voorzieningen inclusief het stratenplan zijn goed bewaard gebleven. Justitie bouwde rond 1900 vervolgens twee nieuwe gevangenissen, Norgerhaven en Esserheem. Sinds 1970 zitten hier zwaar gestraften. Eén van de werkgestichten in Veenhuizen biedt onderdak aan het Nationaal Gevangenismuseum dat op boeiende en interactieve wijze ingaat op hoe Nederland vanaf 1600 tot vandaag de dag omgaat met misdaad en straf. Tevens toont het museum de geschiedenis van het gevangenisdorp.

Maak kennis met de Weldadige kolonie
Veenhuizen is één van de zeven Koloniën van Weldadigheid. Samen vormden ze een systeem om ‘paupers’, families in armoede, op te vangen. Uit het hele land werden zij hier naartoe gestuurd: om aan landbouw te doen, naar school te gaan en discipline aan te leren.
Maak kennis met dit bijzondere stukje geschiedenis.